
In het kader van het 125-jarig lustrum van de KNNV-afdeling Amsterdam en Haarlem is op zaterdag 19 september 2026 een wandeling georganiseerd, die teruggrijpt op een traditie. Zowel de afdeling Amsterdam als Haarlem hebben in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw verschillende (lange!) wandelexcursies georganiseerd naar de toenmalige Zuiderzee. Van die excursies zijn verslagen gemaakt. Vaak werd er gebruik gemaakt van een bootverbinding die de deelnemers naar Schellingwoude bracht waar de wandeling begon. De bootverbinding naar Schellingwoude bestaat niet meer en het brakke en zoute water van de Zuiderzee is na de realisatie van de Afsluitdijk in 1932 veranderd in het zoete water van het IJsselmeer. Veel is er dus veranderd en het leek ons leuk om dat te bekijken. We kunnen niet meer de precieze wandelingen maken die toentertijd werden gehouden, dus is er gekozen voor een alternatieve route van circa 14-15 km lang. De wandeling (zie kaartje) startte om 10.00 uur bij het voormalige woonhuis van Eli Heimans (1861-1914), Plantage Muidergracht 123 te Amsterdam.
De leiding is in handen van Geert Timmermans (voormalig stadsecoloog Amsterdam) en Piet Veel (voormalig hoofd Groen en Recreatie bij PWN). We doen het Oosterpark aan, lopen door Park Frankendael, het Flevopark en – na een koffie en thee stop op camping Zeeburg – via het Zeeburgereiland over de Oranjesluizen, langs de Schellingwouder- en Nieuwendammerdijk, door het Vliegenbos, langs de Meeuwenlaan naar het IJpleinveer. De tocht eindigt bij Amsterdam CS.
We starten met een gemengd groepje Amsterdammers en Haarlemmers bij het huis waar Eli Heimans tot zijn dood in 1914 woonde: Plantage Muidergracht 123, nu een modern pand. Een plaquette (verstopt achter een roos) voorzien van een korte biografie benadrukt zijn belang voor de natuurhistorie. Heimans was met Thijsse, Kerbert (de toenmalig directeur van Artis) en anderen, in 1901 de oprichter van onze Nederlandse Natuurhistorische Vereniging NNV voordat die – in 1951 – Koninklijk werd.

Aangekomen bij de Mauritskade, met onze rug naar Artis, staan we bij wat zo rond 1890 het randje van de stad was. Daarbuiten lag het veenweidegebied met koeien, kleinschalig boerenlandschap vol wilde bloemen en weidevogels. Kemphanen alom. Op de plek van het Wereldmuseum lag ooit de Oosterbegraafplaats, met een roekenkolonie waarvan de nesten door de brandweer uit de bomen gespoten werden. Op de het schuine stenen talud groeit het steenhavikskruid. De enige plek in Nederland. De plant groeide er ook al in Heimans’ tijd en was toentertijd een ware twitchers spotplek. Bij de renovatie van het talud wordt door de gemeente Amsterdam rekening gehouden met deze bijzondere en zeldzame plant.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de stadsuitbreiding volgens het AUP (Algemeen Uitbreidingsplan) planmatig aangepakt, met het idee van bebouwde lobben en groene scheggen. Zo was iedere bewoner in 10 minuten in het groen, maar ook voor dieren waren dit fijne verbindingen. De met duinzand of zand uit Crailo aangelegde spoordijken zijn andere
goede leefgebieden en migratieroutes. Een allereerste dode boommarter in de binnenstad was in 1991 de aanleiding tot het schrijven van Haring in het IJ, nu heeft dit dier ieder park bereikt. Geert vertelt over de Amsterdamse Ecologische Structuur, waar de spoordijken onderdeel van zijn. In 2012 werd de ecologische structuur door de gemeenteraad vastgesteld. Ook werd afgesproken dat de 180 knelpunten (voor dieren lastig te nemen hordes) binnen tien jaar opgelost moesten zijn. Bij zijn pensionering in 2023 was dat voor 172 knelpunten gelukt!

Het Oosterpark is, net als het Vondelpark en Sarphatipark, bij de aanleg niet met grond opgehoogd en klinkt daarom langzaam maar zeker vanwege de venige onderlaag in. Bomen hebben moeite met wortelen vanwege de geringe drooglegging (soms maar 30 cm) en vallen snel om. Van de 5000 halsbandparkieten in de stad vinden hier dagelijks 1500 een slaapplek. Het aandeel grote alexanderparkiet, alom aanwezig in het Oosterpark, is sterk groeiende.
We passeren in park Frankendael het ooievaarsnest op de schoorsteen van het kassencomplex van de voormalige Stadskwekerij. De ooievaar is sinds 2001 weer terug van weggeweest. In 1901 was in park Frankendael ook het laatste broedgeval.
We lopen langs de Ringvaart, verbinding tussen Nieuwe Diep en Amstel, die tot voor kort glashelder was maar nu troebel en leeg. Waterlelie en gele plomp zijn de enige planten die de invasie van Amerikaanse rivierkreeften kunnen weerstaan. De rode, omhoog geheven arm van het fietsbruggetje tussen Science Park en Valentijnkade blijkt omlaag te kunnen om bij een doorbraak van de dijk, de Watergraafsmeer te beschermen tegen een overstroming. Op de bodem van de Ringvaart liggen, onzichtbaar voor de inwoners, opblaasbare balgstuwen. Ook zij zorgen ervoor dat de Amstel en Nieuwe Diep niet leeglopen in de laaggelegen Watergraafsmeer.
Het Flevopark heette vroeger Zuiderzeepark, en maakt onderdeel uit van de groene scheg richting Muiden. De Joodse begraafplaats heeft een belangrijke functie als rustgebied, net als de schapenweide in het Vondelpark. Overdag schuilen hier vos en soms een wasbeerhond en ree.
We lopen richting Amsterdam-Rijnkanaal (vroeger Merwedekanaal). Bij de halfpipe aan de Zuiderzeeweg kijken we naar beneden en zien we in het riet van het helofytenfilter vaag de contouren van de fundamenten van de veestallen die daar destijds stonden. Riet in het helofytenfilter werkt als zuiverend filter: het slaat stoffen op uit het water, die middels maaien weer uit het watersysteem afgevoerd kunnen worden.
We passeren Herberg Zeeburg. De herberg werd in 1675 gebouwd nabij het toenmalige Fort Zeeburg. De herberg grensde aan de Zuiderzee en was belangrijk voor de handel in vee uit Waterland, dat er werd ontscheept.
Nu de Zuiderzee in 1932 IJsselmeer geworden is en een kunstmatig omgekeerd waterpeil kent (’s zomers hoog voor de boeren, ’s winters laag voor waterberging) kan de rietzoom rond het water niet meer kiemen.
Bij Camping Zeeburg aangekomen gaan we aan een picknicktafel ons meegebrachte brood opeten, aangevuld met koffie uit de automaat. Amsterdammers mogen hier van oudsher niet verblijven (om misbruik met verhuur van het eigen huis te voorkomen), maar een kano huren mag gelukkig wel. De otter is hier al gespot, en van de otter is het een kleine sprong naar de wolf. Die is al zo dichtbij als Huizen gesignaleerd, en bereikt volgens sommige voorspellingen binnen vijf jaar de duinrand. Dan heeft het damhert er een natuurlijke vijand bij!
Via de Zuiderijdijk op het Zeeburgereiland (in Heimans’ tijd aangelegd als baggerstortplaats) lopen we richting de Oranjesluizen. Rechts van ons maken de schilderachtige rafelrandjes in hoog tempo plaats voor een nieuwe woonwijk: de Sluis- en Baaibuurt.
De sluizen naar Noord overbruggen we bijkans sprintend, bang voor een schip dat de boel eindeloos op zou kunnen houden. Als barrière tussen het zilte IJ en het zoete IJsselmeer is dit een knelpunt voor trekvis. Regelmatig vindt hier glasaalmonitoring plaats. Ter vergelijking: het Noordzeekanaal en het IJ zijn vijftien meter diep, het Amsterdam-Rijnkanaal negen. Omdat zout water zwaarder is dan zoet, is er een sterke gelaagdheid. In het Noordzeekanaal leven 75 soorten vis, ieder in zijn eigen zoute, brakke, of zoete laag.
Nu volgen we een smal een met Japanse duizendknoop, dijkviltbraam en hagen omzoomd buitendijks wandelpad met twee trekpontjes. Nescio wandelde hier ook! De ijsvogel wordt op deze locatie regelmatig gespot, iets ongelofelijk bijzonders in de decennia daarvoor. Deze vogel profiteert van de warmere winters en de betere waterkwaliteit. We zien krakeend (was er niet in Heimans’ tijd), fuut en dodaars, en in het water gedoornd hoornblad. Bij Café ’t Sluisje strijken we neer voor een drankje. De sluis is niet meer in werking, maar zou perfect zijn als vispassage. Het café werd na een faillissement opgekocht en een nieuw leven ingeblazen door omwonenden.
Na deze laatste stop lopen we door naar de pont. De schier onmogelijke fietsbrug van Noord naar Centrum, al decennia ‘in de lucht’, komt ter sprake. De pont wordt genoemd als gezellig moment van gedwongen onthaasting.

We hebben tijdens deze wandeling veel gezien en geleerd. De grootste veranderingen sinds 1901 zijn ongetwijfeld de aanleg van de Afsluitdijk en de continue stadsuitbreidingen. Het platteland veranderde in grasfalt, de kemphanen verdwenen. Maar de lucht werd schoner, die tijd van industrialisatie moet niet geïdealiseerd worden. Was de stad en ook het platteland in de tijd van Heimans bepaald bomenarm, nu is Amsterdam iepenhoofdstad van Europa. Tegen de nog geen 900 wilde planten in Heijmans’ tijd kennen wij er bijna 1700. Dieren als de ijsvogel zijn nu algemeen.
Een enthousiaste deelnemer